|
In het oude Rome werd
geschreven op papyrus met een dunne metalen staaf, "stylus" genaamd. Deze
liet een lichte maar herkenbare lijn op het papyrus achter. Ook waren
er styli die gemaakt werden van een staafje lood en tot op de dag van
vinden we in het woord "potlood" de oorsprong hiervan terug.
Tegenwoordig worden
potloden gemaakt met grafiet.
Grafiet werd al vroeg in de geschiednis wereldwijd verspreid, mede dank
zij een grote hoeveelheid zeer zuivere grafiet, die in Borrowdale, 9 mijl
ten zuiden van Keswick (Verenigd Koninkrijk), in ca 1564 per toeval werd
blootgelegd. Er zijn verschillende speculaties over de precieze datum
en over hoe deze ontdekking werd gedaan. Legendes vertellen over zware
onweerstormen die bomen ontwortelden, waarbij grote zwarte aders grafiet
bloot kwam te liggen. De lijn van grafiet was veel donkerder dan die van
lood, het was echter zo bros dat een houder noodzakelijk was. In het begin
werden staafjes grafiet samengebonden. Later werd een staafje grafiet
verstevigd door een houten stokje dat met de hand werd uitgehold.
De eerste massaproductie
van potloden vond plaats in Neurenberg in 1662. Een eeuw later in 1761
zette Kaspar Faber zijn eigen bedrijf op. Hij ontwikkelde grafiet met
zwavel, antimodium en harsen. Toen hij de brei perste kwam er een product
tot stand dat beter was om mee te schrijven dan pure grafiet, omdat het
veel minder bros was. In 1790 ging Nicolas Jacques Conté nog verder in
dit proces. Hij mengde klei en grafiet en bakte dit mengsel in een kalkoven.
Hierdoor creëerde hij de basis voor het huidige schrijfmateriaal.
Anton
Wilhelm Faber (1784-1810) en Georg Leonard Faber (1810-1839) vergrootten
de productie in Stein bij Neurenberg. Het bedrijf heet nu "A.W. Faber".
Lothar Faber (vierde generatie) nam dit bedrijf in 1839 over. Mede dankzij
zijn inspanningen
bloeide de regio Neurenberg op als centrum voor de Duitse potloodindustrie.
Tot dan hadden de Duitse potloodfabrikanten niet zo'n goede reputatie.
Dit was mede te wijten aan een tekort aan ruwe materialen. Rond 1800 waren
er zelfs Neurenbergse fabrikanten die producten produceerde die leken
op potloden, maar in feite eenvoudige houten stokjes waren met aan elk
uiteinde een klein stukje grafiet. Dit kwam "de goede naam" natuurlijk
niet ten goede. Lothar Faber begreep dat alleen kwaliteit tot succes kon
leiden. Hiertoe moderniseerde hij zijn fabriek en bracht diverse technische
verbeteringen aan. Vervolgens varieerde hij de mix van klei en grafiet
en was hierdoor in staat potloden van verschillende hardheid te produceren.
Vanaf 1840 merkte Faber zijn potloden met "A.W. Faber", hij maakte "zijn"
merk hiermee tot een van de eerste merkartikelen in Europa. Al vanaf 1843
werden zijn potloden ook in Amerika verkocht. Later vanaf 1849 opende
Faber vestigingen in Parijs, Wenen, St. Petersburg en Londen. Vanuit laatstgenoemde
vestiging in Londen bediende hij de Chinese en Indiase markt. In 1851
stelde Lothar Faber een standaard op voor de lengte en dikte van het potlood,
zo ook voor de graad van hardheid. Dat de 'H' voor 'hard' staat kan iedereen
wel raden. De 'B' is afkomstig van het Engelse 'Black', beide letters
kunnen vooraf worden gegaan van een cijfer, hoe groter dit cijfer hoe
harder (H) of zachter (B) het potlood. De aanduiding 'HB' staat voor halfzacht
en is iets zachter dan 'F', deze letter staat voor 'Firm'. Dat de aanduiding
afkomstig is uit het Engels lijkt wellicht wat vreemd voor
een bedrijf van Duitse origine. Faber echter was in die dagen al een internationale
onderneming met vestigingen in meerdere landen. Deze aanduiding voor de
graad van hardheid werd uiteindelijk de standaard en overgenomen door
nagenoeg alle potloodfabrikanten wereldwijd.
Een product als dit
valt of staat met de kwaliteit van de grondstoffen. Om zeker te zijn van
de aanvoer van goede gronstoffen, kocht Lothar een grafietmijn bij Irkoetsk
in Siberië die een uitstekende kwaliteit grafiet produceerde. Hij maakte
zichzelf hiermee onafhankelijk van zijn toeleveranciers en had zodoende
een belangrijke troef in handen. Dit mede omdat in Engeland de grafietmijnen
tot eigendom van de staat waren gemaakt door Koning George II en er een
algemeen uitvoerverbod gold.
Aan
het eind van de 18e eeuw waren er zo'n 25 potloodfabrieken in Neurenberg.
Gezamenlijk produceerde zij circa 250 miljoen potloden per jaar met een
waarde van 8.5 miljoen marken. Faber was toen al de grootste producent
en had 1000 man in dienst. Duistland was nu het centrum geworden van de
potloodindustrie wereldwijd, geconcentreerd in en rond Neurenberg. A.W.
Faber stond synoniem voor potloden van hoge kwaliteit. Om met name zichzelf
te beschermen tegen plagiaat van zijn producten, bood Lothar in 1874
een petitie aan aan het Duitse Parlement, met het verzoek wettelijke bescherming
te verkrijgen voor merknamen gekoppeld aan de merkartikelen. Een jaar
later werd zo'n wet een feit, wellicht dankzij Faber's vooruitziende blik.
Het huwelijk van Lothar von Faber's kleindochter Ottilie met graaf Alexander
zu Castell-Rudenhausen (zesde generatie) in 1898 brengt de naamsverandering
voor de familie en uiteindelijk het bedrijf met zich mee naar
"Faber-Castell". Rond 1905 komen de beroemde groene Faber-Castell 9000
potloden op de markt. Uit deze periode stamt eveneens het tot op de dag
van vandaag terugkerende beeld van de met potloden duellerende ridders.
Vanaf 1928 neemt Graaf Roland von Faber-Castell, op 23-jarige leeftijd,
het roer over, waarna in 1978 zijn zoon graaf Anton Wolfgang von Faber-Castell
(inmiddels de 8e generatie!) het huidige leiderschap van het bedrijf op
zich nam.
Talloze activiteiten
en nieuwe producten ontwikkelden zich in die vorige eeuw. Twee willen
we er graag nog uitlichten: de introductie van de "Premium,
Graf von Faber-Castell Collectie" die werd gepresenteerd in 1992,
en het unieke herbebossingproject
in en rond Sao Carlos in Brazilië.
|