De Parker "51"
De meest gewilde pen ter wereld…

| Parker overzicht | Parker Duofold | Parker 100 | Parker Sonnet | Parker Inflection | Parker Insignia | Parker Rialto | Parker Classic | Parker Frontier | Parker 45 | Parker Vector | Parker Vector XL & 3-in1 | Parker Dimonite | Parker Reflex | Parker Jotter | Vector Kalligrafie |
| speciale edities | 2001 Parker Duofold Mosaic | 2002 PARKER 51 | Parker Duofold Pinstripe | Parker Duofold Oranje |

| LE | Parker Snake | Parker Duofold Yellow Manderin | Parker Duofold Norman Rockwell | Parker Duofold Int. 75 jaar Parker Nederland | Parker Duofold Golden Jubilee | Parker Duofold Cloisonné | Link naar Parker website

 

klik voor een grotere weergave  ca 21kbPen & Inkt
Een van de nadelen van inkt, en dat geldt vooral voor vulpeninkt, is dat hij nat is. Het duurt even voordat het geschrevene veegvast op papier staat. Vandaar dat inkt- en penfabrikanten sinds lang naar samenstellingen zochten die snel droogden maar bij voorkeur niet al in de pen.

Nederlandse advertentie uit 1949. klik voor een leesbare weergave ca 79kbParker kwam in 1931 met zijn Quink, een redelijk snel drogende en reinigende inkt. Toch bleef men bij Parker naar een nog sneller drogende inkt zoeken. Tegen het eind van de jaren dertig kwam Parker met een inkt die driemaal zo snel als bestaande inkten droogde, eenvoudig doordat hij niet op het papier bleef liggen maar er vlot in trok. Het nadeel van deze inkt was alleen dat deze inkt sterk alkalisch was, in tegenstelling tot de eerdere inkten die juist zuur waren. De gewone Quink had een pH van 1,8 terwijl de nieuwe inkt tot 11,2 kwam. Het door Parker voor zijn pennen gebruikte materiaal was hier niet tegen bestand, hetgeen des te hinderlijker was omdat bij het door Parker toegepaste Vacumatic systeem de houder zelf als reservoir diende.

De eerste Parker 51
Parker had al sinds 1929, gelijk oplopend met het onderzoek naar de nieuwe inkt, een volledig nieuwe penconstructie in ontwikkeling genomen. In 1939 lukte het de twee projecten te combineren, met als resultaat een pen die geschikt was om met de nieuwe zeer snel drogende inkt te schrijven: de Parker "51". Deze pen zou tot 1978 in productie blijven en er zouden miljoenen exemplaren van verkocht worden. De typeaanduiding "51" was geen toeval, maar had anderzijds ook geen bijzondere betekenis. Parker had tot dan toe al zijn modellen een naam gegeven, maar was tot de conclusie gekomen dat als een model een naam kreeg, deze naam afbreuk deed aan de naam van het merk. Voor de nieuwe pen zou dus een nummer beter voldoen, ook al omdat een nummer in alle talen dezelfde betekenis heeft. Een proefserie van de nieuw ontwikkelde pen werd uitgezet in 1939, welk jaar het 51e jaar van het bestaan van de Parker Pen Company was. De pen kreeg daarom het typenummer "51" mee - aldus de officiële lezing van de fabriek.

Lucite
De sinds 1932 bestaande Vacumatic van Parker was vervaardigd uit de kunststof Pyralin. Deze kunststof werd, zoals gezegd, door de nieuwe inkt aangetast. Aangezien Parker voor de "51" hetzelfde vulsysteem als dat van de Vacumatic wilde gebruiken in combinatie met de nieuwe inkt, moest een ander materiaal voor de houder gevonden te worden. De kunststofindustrie bracht uitkomst. DuPont ontwikkelde een acrylhars die tegen de nieuwe inkt bestand was: Lucite. Bovendien was dit materiaal veel harder en kon het nauwkeuriger bewerkt worden dan Pyralin. Het nieuwe Lucite werd dan ook prompt door Parker en andere penfabrikanten voor hun pennen gebruikt. Waterman was in 1939 de eerste, Parker volgde in 1941 met de serieproductie van de "51".

De penpunt
Technisch week de "51" volledig van alle bestaande pennen af. De pen bestond uit een 14 karaats gouden buisje met een schrijfpunt. Dit gouden buisje was om een ronde ebonieten inktgeleider geschoven, waaruit een ontluchtingsbuisje kwam dat tot in de inktvoorraad reikte. Om pen en inktgeleider heen zat weer een ronde inktcollector met kammen, die de overtollige inkt opnamen. Op de eigenlijke penpunt na, bevond dit geheel zich in het inktreservoir. De pen "zwom" dus in de inkt zodat hij vrijwel onmiddellijk schreef en niet behoefde te wachten tot de inkt de punt bereikt had. Om deze constructie mogelijk te maken was de gehele voorkant van de pen ingebouwd in een conische "shell" waaruit alleen het voorste gedeelte van de punt van de pen stak. Zoals Parker trots stelde: van de "51" kreeg je geen vuile handen en lekken deed hij ook niet.

Het Vacumatic-vulsysteem


De pen werd vooralsnog via het bestaande, in 1932 ingevoerde Vacumatic-systeem gevuld. Dit vulsysteem verving de tot dan toe gebruikelijke rubberen zakjes, die maar een beperkte levensduur hadden. Bovendien waren de zakjes tegen sommige soorten inkt niet bestand. Bij de Vacumatic fungeerde de houder zelf als reservoir en werd de inkt opgezogen met een vacuümpompje. Dat pompje bestond uit een buisje met daarin een rubber membraan dat bediend werd met een drukknop achterop de houder. Dit systeem maakte een grote inktvoorraad mogelijk maar was in de praktijk echter toch niet bijster handig. Om de pen te vullen waren ongeveer 10 slagen nodig, om hem leeg te krijgen wel 20 tot 30 langzame slagen. Bij de eerdere Vacumatic-pennen van Parker was de houder deels transparant, zodat het inktniveau zichtbaar was. Bij de "51" was dit niet het geval, zodat de pen plotseling leeg kon zijn. Bovendien wees de praktijk uit dat het rubberen membraan even snel sleet als de rubber inktzakjes van weleer maar veel lastiger te vervangen was dan de inktzakjes. Parker had bovendien onvoldoende rekening gehouden met het effect dat de lucht in het penlichaam door de warmte van de schrijvende hand enigszins kon uitzetten. Wanneer het inktpeil laag was en de hoeveelheid lucht dienovereenkomstig groot, kon dit tot lekkage leiden.

Het Aerometric-vulsysteem
Vandaar dat Parker in 1948 overstapte op het Photo-Fill systeem, dat korte tijd later herdoopt werd in het Aerometric systeem. Het Aerometric vulsysteem van Parker bestond uit een metalen huls waarin een inktzakje van soepele doorzichtige kunststof was bevestigd. Dat zakje kon met een zijdelings drukstaafje gevuld en geleegd worden. De vulcapaciteit was kleiner dan bij de Vacumatic, maar de bediening veel eenvoudiger. Alleen moest nu de houder van de pen losgeschroefd worden om de pen te kunnen vullen. Het Aerometric systeem is door vele fabrikanten nagemaakt; het is ook de basis voor de huidige converter geweest.

"even" met patronen...

In 1958 werd de "51" ook leverbaar met een inktpatroon, maar dit model werd al in 1962 weer ingetrokken. En wat de inkt betreft: in een Parker "51" kon zowel de speciaal ontwikkelde snel drogende "51" inkt gebruikt worden als de gewone Quink (of andere inktsoorten). De snel drogende inkt kreeg in 1947 de naam "Superchrome". In de vijftiger jaren werd deze inkt uit de handel genomen. De inkt bleek te corrosief voor andere pennen dan de Parker "51" en kon niet met andere inkten gemengd worden. Dit maakte deze inkt voor het gewone gebruik onpraktisch.

Introductie in 1941
In 1941 begon de officiële verkoop van de "51", met groot succes. Parker adverteerde zoals altijd uitvoerig en legde sterk de nadruk op zowel de technische kwaliteiten van de pen als het feit dat de bijbehorende speciale inkt onmiddellijk droog was. Ook werd ingehaakt op het feit dat het meest succesvolle jachtvliegtuig van de Amerikaanse Luchtmacht, de North-American Mustang, eveneens de type-aanduiding P-51 had. Het resultaat was ernaar. De "51" verkocht ondanks zijn relatief hoge prijs (de eenvoudigste zwarte uitvoering kostte in 1946 $ 12,50) in enorme aantallen. Naar schatting zijn er in totaal ongeveer 25 miljoen van gemaakt. Ook bleek hij zo onverwoestbaar, dat vele pennen van vader op zoon (of dochter) overgingen. Originele "51"'s zijn nog steeds voor een schappelijke prijs te vinden, evenals losse onderdelen. Ook de penpunten zijn nog in diverse varianten verkrijgbaar, al zijn ze Nederlandse advertentie uit 1955. klik voor een grotere weergave ca 42 kbkwalitatief niet meer zo goed als de originele die beroemd waren om hun zachtheid.

Statussymbool
Zowel binnen als buiten de Verenigde Staten werd de "51" al snel een statussymbool. Mede daarom werd deze pen overal ter wereld gekopieerd. Vrijwel elke fabrikant heeft wel een pen gemaakt die op de "51" leek, tot en met uiterlijke détails als de vorm van de clip. Het mechaniek bleef dat van de imitator, dus soms van een beroerde kwaliteit. Ook Parker zelf heeft handig gebruik gemaakt van de aantrekkingskracht van de "51". Al in 1947 verscheen een kleiner model, de "Demi-51", dat bedoeld was voor dames en uiteraard ook voor heren die de "51" te groot vonden. Technisch was de "Demi-51" gelijk aan de gewone "51"; hij kostte ook evenveel. De "51" was relatief duur, maar zoals Parker in een service manual uit 1947 openlijk schreef: "Frankly the "51" is not designed for anybody and everybody". Daarbij moet bedacht worden dat deze service manuals niet bedoeld waren voor de klant …

Parker 41 & 21
De hoge prijs werd voor een groot deel bepaald door de buisvormige pen, die door zijn lengte meer goud vergde dan een orthodoxe vrijstaande pen. Daarnaast was het fabricageproces erg arbeidsintensief vanwege de minieme toleranties die golden voor de afmetingen van de onderdelen van depen. Het was die zorgvuldige fabricage die er voor zorgde dat de "51" lang mee ging. Ook werd zeer veel aandacht besteed aan de penpunt. Alle "51"'s schreven bijzonder zacht, ondanks dat de pen zelf stijf opgesloten zat. Ten behoeve van klanten die wel de vorm van de "51" wilden hebben maar daarvoor niet de prijs wilden of konden neerleggen, bracht Parker in 1948 het model "21" uit. Dit model was uiterlijk vrijwel gelijk aan de "51", maar (shell en penpunt weken af) minder dan de helft. Later verscheen ook nog de "super 21" die vrijwel gelijk was aan de "51". De "21" was iets kleiner dan de "51", halverwege tussen de "51" en de "Demi-51" in.De "21" was goedkoper dan de "51" omdat bij dit model bezuinigd was op de penpunt, die niet meer van 14 Kt goud was maar van "octanium", een legering van 8 metalen. Daarnaast was het hele systeem van inkttoevoer en vulling sterk vereenvoudigd. Voor wie er op lette was het verschil met de "51" snel te zien: de "51" had altijd een clip in de vorm van een gevederde pijl, de "21" moest het zonder de pijl stellen. De "21" is tot 1979 in productie geweest en er zijn er ongeveer 39 miljoen van verkocht. Dit ondanks het feit dat Parker er na 1965 geen reclame meer voor maakte. In 1950 verschenen ook nog de modellen "51 Special" en "41" die qua prijs tussen de "21" en "51" in lagen maar technisch met de "51" overeenkwamen.

De Parker 61
Ten slotte deed Parker in 1956 een poging om het gebruiksgemak van de "51" te verbeteren door het vulsysteem te vereenvoudigen. Er verscheen daartoe een model "61" dat in plaats van een Aerometric vulsysteem een capillair vulsysteem had. Met een opgerolde lamel werd als het ware een bundel dunne buisjes gecreëerd, geborgen in een met teflon gecoate huls. (afbeelding plaatsen) Om de "61" te vullen moest hij met de achterkant van zijn vulsysteem in een inktpot gezet worden, waarna het systeem zich door de capillaire werking van de buisjes zelf volzoog. Dit functioneerde uitstekend zolang de buisjes niet verstopt raakten door opgedroogde inkt of vuil op de bodem van de inktpot. Een duidelijk nadeel was dat op geen enkele manier te zien was hoeveel inkt er in de pen zat. In de praktijk was de "61" dan ook geen groot succes. Al in 1962 werd het capillaire vulsysteem vervangen door een inktpatroon en in 1982 werd de productie gestaakt, nadat er slechts circa 5 miljoen van gemaakt waren.

Uitvoeringen
De "51" is in de loop van de tijd geleverd in vele uitvoeringen, altijd met een metalen dop, van uiterst eenvoudig tot hoogst luxueus. De houder had in de kunststof uitvoering altijd een effen kleur, met keus uit minstens 10 tinten. Ook waren deze kunststof houders altijd glad, zonder versiering het toegepaste spuitgietprocédé liet niet anders toe. Een kenmerkend verschil tussen de Vacumatic- en Aerometric-modellen was dat de Vacumatics een schroefdopje achterop de houder hadden waaronder het pompje van het vulsysteem zat. Dit schroefdopje eindigde in een metalen ring om een parelmoergrijs kegeltje, gelijk aan dat op de dop. Bij de Aerometric-modellen was het losse dopje op de houder niet meer nodig, zodat de houder eenvoudig taps toeliep. Voor het overige is aan het uiterlijk van de "51" tijdens zijn lange leven weinig veranderd. Opvallend is alleen dat de klemring op de houder voor de dop na 1969 veel smaller is. Er zijn ook geheel metalen versies geweest, in roestvrij staal, verzilverd, verguld, massief zilver en massief goud. Hierin was meer versiering mogelijk. Vooral de zilveren en gouden varianten waren leverbaar met vele soorten guilloches. Ditzelfde geldt voor de dop. De clip was in eerste instantie de korte pijl-clip van de Vacumatic-serie, met de naam Parker erop en een blauw ruitje ("Blue Diamond") dat aangaf dat de pen levenslange garantie had. Parker had dit symbool eind jaren '30 ingevoerd voor zijn pennen boven de $8.75. Sheaffer had, met dezelfde betekenis, al eerder een witte stip op zijn duurdere modellen aangebracht en doet dat nog steeds. Parker stapte in 1948, bij de introductie van het Aerometric-vulsysteem, weer van de Blue Diamond af; de "51" kreeg daarbij een langere clip zonder merknaam.


De herintroductie in 2002



"Vista blue"

zwart

Het was te verwachten dat dit veelgevraagde model opnieuw in productie genomen zou worden. Veel fabrikanten grijpen immers de laatste jaren op hun succesnummers terug. Parker heeft er echter geen haast mee gemaakt. In 1994 is door een particuliere specialist in New York een kleine serie in titanium vervaardigd. De fabriek zelf heeft tot 2002 gewacht en komt nu met een Special Edition van 25.000 stuks. Deze zal beschikbaar zijn in twee kleuren, zwart en "Vista Blue", een soort hemelsblauw. De dop is van zilver met daarin het silhouet van het Empire State Building, ook wel icicle of ijskegel genoemd.


Deze guilloche is overgenomen van een zeer zeldzame uitvoering van de "51" uit 1946, twee afbeeldingen van dit origineel met "Empire State" dop treft u hieronder.




Bij de zwarte pen is het silhouet verguld, bij de blauwe versie is de gehele dop eenkleurig zilver. De vergulde clip is de oorspronkelijke korte variant met de Blue Diamond en de merknaam. Het vulsysteem is een converter of gewoon een patroon (net als in 1958). De penpunt is uit 18 Kt goud in plaats van 14 Kt en wordt gevoed door een fijnbewerkt 2-kanaals inkttoevoer- en afvoersysteem.

Natuurlijk is deze "51" stijlvol verpakt waarbij vrijwel dezelfde materialen zijn gebruikt als voor de originele doos van de oude "51, compleet met inktlap!

Deze Parker 51 is geheel uitverkocht / Sold out


 
Deze pagina is het laatst gewijzigd op 31-07-2008
Alle teksten en foto's Copyright © 2001-2008 Paul Rutte - alle rechten voorbehouden -