|
Pen
& Inkt
Een van de nadelen van inkt, en dat geldt vooral voor vulpeninkt, is dat
hij nat is. Het duurt even voordat het geschrevene veegvast op papier
staat. Vandaar dat inkt- en penfabrikanten sinds lang naar samenstellingen
zochten die snel droogden maar bij voorkeur niet al in de pen.
Parker
kwam in 1931 met zijn Quink, een redelijk snel drogende en reinigende
inkt. Toch bleef men bij Parker naar een nog sneller drogende inkt zoeken.
Tegen het eind van de jaren dertig kwam Parker met een inkt die driemaal
zo snel als bestaande inkten droogde, eenvoudig doordat hij niet op het
papier bleef liggen maar er vlot in trok. Het nadeel van deze inkt was
alleen dat deze inkt sterk alkalisch was, in tegenstelling tot de eerdere
inkten die juist zuur waren. De gewone Quink had een pH van 1,8 terwijl
de nieuwe inkt tot 11,2 kwam. Het door Parker voor zijn pennen gebruikte
materiaal was hier niet tegen bestand, hetgeen des te hinderlijker was
omdat bij het door Parker toegepaste Vacumatic systeem de houder zelf
als reservoir diende.
De eerste Parker 51
Parker had al sinds 1929, gelijk oplopend met het onderzoek naar de nieuwe
inkt, een volledig nieuwe penconstructie in ontwikkeling genomen. In 1939
lukte het de twee projecten te combineren, met als resultaat een pen die
geschikt was om met de nieuwe zeer snel drogende inkt te schrijven: de
Parker "51". Deze pen zou tot 1978 in productie blijven en er zouden miljoenen
exemplaren van verkocht worden. De typeaanduiding "51" was geen toeval,
maar had anderzijds ook geen bijzondere betekenis. Parker had tot dan
toe al zijn modellen een naam gegeven, maar was tot de conclusie gekomen
dat als een model een naam kreeg, deze naam afbreuk deed aan de naam van
het merk. Voor de nieuwe pen zou dus een nummer beter voldoen, ook al
omdat een nummer in alle talen dezelfde betekenis heeft. Een proefserie
van de nieuw ontwikkelde pen werd uitgezet in 1939, welk jaar het 51e
jaar van het bestaan van de Parker Pen Company was. De pen kreeg daarom
het typenummer "51" mee - aldus de officiële lezing van de fabriek.
Lucite
De sinds 1932 bestaande Vacumatic van Parker was vervaardigd uit de kunststof
Pyralin. Deze kunststof werd, zoals gezegd, door de nieuwe inkt aangetast.
Aangezien Parker voor de "51" hetzelfde vulsysteem als dat van de Vacumatic
wilde gebruiken in combinatie met de nieuwe inkt, moest een ander materiaal
voor de houder gevonden te worden. De kunststofindustrie bracht uitkomst.
DuPont ontwikkelde een acrylhars die tegen de nieuwe inkt bestand was:
Lucite. Bovendien was dit materiaal veel harder en kon het nauwkeuriger
bewerkt worden dan Pyralin. Het nieuwe Lucite werd dan ook prompt door
Parker en andere penfabrikanten voor hun pennen gebruikt. Waterman was
in 1939 de eerste, Parker volgde in 1941 met de serieproductie van de
"51".
De penpunt
Technisch week de "51" volledig van alle bestaande pennen af. De pen bestond
uit een 14 karaats gouden buisje met een schrijfpunt. Dit gouden buisje
was om een ronde ebonieten inktgeleider geschoven, waaruit een ontluchtingsbuisje
kwam dat tot in de inktvoorraad reikte. Om pen en inktgeleider heen zat
weer een ronde inktcollector met kammen, die de overtollige inkt opnamen.
Op de eigenlijke penpunt na, bevond dit geheel zich in het inktreservoir.
De pen "zwom" dus in de inkt zodat hij vrijwel onmiddellijk schreef en
niet behoefde te wachten tot de inkt de punt bereikt had. Om deze constructie
mogelijk te maken was de gehele voorkant van de pen ingebouwd in een conische
"shell" waaruit alleen het voorste gedeelte van de punt van de pen stak.
Zoals Parker trots stelde: van de "51" kreeg je geen vuile handen en lekken
deed hij ook niet.
Het Vacumatic-vulsysteem

De pen werd vooralsnog via het bestaande, in 1932 ingevoerde Vacumatic-systeem
gevuld. Dit vulsysteem verving de tot dan toe gebruikelijke rubberen zakjes,
die maar een beperkte levensduur hadden. Bovendien waren de zakjes tegen
sommige soorten inkt niet bestand. Bij de Vacumatic fungeerde de houder
zelf als reservoir en werd de inkt opgezogen met een vacuümpompje. Dat
pompje bestond uit een buisje met daarin een rubber membraan dat bediend
werd met een drukknop achterop de houder. Dit systeem maakte een grote
inktvoorraad mogelijk maar was in de praktijk echter toch niet bijster
handig. Om de pen te vullen waren ongeveer 10 slagen nodig, om hem leeg
te krijgen wel 20 tot 30 langzame slagen. Bij de eerdere Vacumatic-pennen
van Parker was de houder deels transparant, zodat het inktniveau zichtbaar
was. Bij de "51" was dit niet het geval, zodat de pen plotseling leeg
kon zijn. Bovendien wees de praktijk uit dat het rubberen membraan even
snel sleet als de rubber inktzakjes van weleer maar veel lastiger te vervangen
was dan de inktzakjes. Parker had bovendien onvoldoende rekening gehouden
met het effect dat de lucht in het penlichaam door de warmte van de schrijvende
hand enigszins kon uitzetten. Wanneer het inktpeil laag was en de hoeveelheid
lucht dienovereenkomstig groot, kon dit tot lekkage leiden.
Het Aerometric-vulsysteem
Vandaar dat Parker in 1948 overstapte op het Photo-Fill systeem, dat korte
tijd later herdoopt werd in het Aerometric systeem. Het Aerometric vulsysteem
van Parker bestond uit een metalen huls waarin een inktzakje van soepele
doorzichtige kunststof was bevestigd. Dat zakje kon met een zijdelings
drukstaafje gevuld en geleegd worden. De vulcapaciteit was kleiner dan
bij de Vacumatic, maar de bediening veel eenvoudiger. Alleen moest nu
de houder van de pen losgeschroefd worden om de pen te kunnen vullen.
Het Aerometric systeem is door vele fabrikanten nagemaakt; het is ook
de basis voor de huidige converter geweest.
"even" met patronen...
In 1958 werd de "51" ook leverbaar met een inktpatroon, maar dit model
werd al in 1962 weer ingetrokken. En wat de inkt betreft: in een Parker
"51" kon zowel de speciaal ontwikkelde snel drogende "51" inkt gebruikt
worden als de gewone Quink (of andere inktsoorten). De snel drogende inkt
kreeg in 1947 de naam "Superchrome". In de vijftiger jaren werd deze inkt
uit de handel genomen. De inkt bleek te corrosief voor andere pennen dan
de Parker "51" en kon niet met andere inkten gemengd worden. Dit maakte
deze inkt voor het gewone gebruik onpraktisch.
Introductie in 1941
In 1941 begon de officiële verkoop van de "51", met groot succes. Parker
adverteerde zoals altijd uitvoerig en legde sterk de nadruk op zowel de
technische kwaliteiten van de pen als het feit dat de bijbehorende speciale
inkt onmiddellijk droog was. Ook werd ingehaakt op het feit dat het meest
succesvolle jachtvliegtuig van de Amerikaanse Luchtmacht, de North-American
Mustang, eveneens de type-aanduiding P-51 had. Het resultaat was ernaar.
De "51" verkocht ondanks zijn relatief hoge prijs (de eenvoudigste zwarte
uitvoering kostte in 1946 $ 12,50) in enorme aantallen. Naar schatting
zijn er in totaal ongeveer 25 miljoen van gemaakt. Ook bleek hij zo onverwoestbaar,
dat vele pennen van vader op zoon (of dochter) overgingen. Originele "51"'s
zijn nog steeds voor een schappelijke prijs te vinden, evenals losse onderdelen.
Ook de penpunten zijn nog in diverse varianten verkrijgbaar, al zijn ze
kwalitatief
niet meer zo goed als de originele die beroemd waren om hun zachtheid.
Statussymbool
Zowel binnen als buiten de Verenigde Staten werd de "51" al snel een statussymbool.
Mede daarom werd deze pen overal ter wereld gekopieerd. Vrijwel elke fabrikant
heeft wel een pen gemaakt die op de "51" leek, tot en met uiterlijke détails
als de vorm van de clip. Het mechaniek bleef dat van de imitator, dus
soms van een beroerde kwaliteit. Ook Parker zelf heeft handig gebruik
gemaakt van de aantrekkingskracht van de "51". Al in 1947 verscheen een
kleiner model, de "Demi-51", dat bedoeld was voor dames en uiteraard ook
voor heren die de "51" te groot vonden. Technisch was de "Demi-51" gelijk
aan de gewone "51"; hij kostte ook evenveel. De "51" was relatief duur,
maar zoals Parker in een service manual uit 1947 openlijk schreef: "Frankly
the "51" is not designed for anybody and everybody". Daarbij moet bedacht
worden dat deze service manuals niet bedoeld waren voor de klant …
Parker 41 & 21
De hoge prijs werd voor een groot deel bepaald door de buisvormige pen,
die door zijn lengte meer goud vergde dan een orthodoxe vrijstaande pen.
Daarnaast was het fabricageproces erg arbeidsintensief vanwege de minieme
toleranties die golden voor de afmetingen van de onderdelen van depen.
Het was die zorgvuldige fabricage die er voor zorgde dat de "51" lang
mee ging. Ook werd zeer veel aandacht besteed aan de penpunt. Alle "51"'s
schreven bijzonder zacht, ondanks dat de pen zelf stijf opgesloten zat.
Ten behoeve van klanten die wel de vorm van de "51" wilden hebben maar
daarvoor niet de prijs wilden of konden neerleggen, bracht Parker in 1948
het model "21" uit. Dit model was uiterlijk vrijwel gelijk aan de "51",
maar (shell en penpunt weken af) minder dan de helft. Later verscheen
ook nog de "super 21" die vrijwel gelijk was aan de "51". De "21" was
iets kleiner dan de "51", halverwege tussen de "51" en de "Demi-51" in.De
"21" was goedkoper dan de "51" omdat bij dit model bezuinigd was op de
penpunt, die niet meer van 14 Kt goud was maar van "octanium", een legering
van 8 metalen. Daarnaast was het hele systeem van inkttoevoer en vulling
sterk vereenvoudigd. Voor wie er op lette was het verschil met de "51"
snel te zien: de "51" had altijd een clip in de vorm van een gevederde
pijl, de "21" moest het zonder de pijl stellen. De "21" is tot 1979 in
productie geweest en er zijn er ongeveer 39 miljoen van verkocht. Dit
ondanks het feit dat Parker er na 1965 geen reclame meer voor maakte.
In 1950 verschenen ook nog de modellen "51 Special" en "41" die qua prijs
tussen de "21" en "51" in lagen maar technisch met de "51" overeenkwamen.
De Parker 61
Ten slotte deed Parker in 1956 een poging om het gebruiksgemak van de
"51" te verbeteren door het vulsysteem te vereenvoudigen. Er verscheen
daartoe een model "61" dat in plaats van een Aerometric vulsysteem een
capillair vulsysteem had. Met een opgerolde lamel werd als het ware een
bundel dunne buisjes gecreëerd, geborgen in een met teflon gecoate huls.
(afbeelding plaatsen) Om de "61" te vullen moest hij met de achterkant
van zijn vulsysteem in een inktpot gezet worden, waarna het systeem zich
door de capillaire werking van de buisjes zelf volzoog. Dit functioneerde
uitstekend zolang de buisjes niet verstopt raakten door opgedroogde inkt
of vuil op de bodem van de inktpot. Een duidelijk nadeel was dat op geen
enkele manier te zien was hoeveel inkt er in de pen zat. In de praktijk
was de "61" dan ook geen groot succes. Al in 1962 werd het capillaire
vulsysteem vervangen door een inktpatroon en in 1982 werd de productie
gestaakt, nadat er slechts circa 5 miljoen van gemaakt waren.
Uitvoeringen
De "51" is in de loop van de tijd geleverd in vele uitvoeringen, altijd
met een metalen dop, van uiterst eenvoudig tot hoogst luxueus. De houder
had in de kunststof uitvoering altijd een effen kleur, met keus uit minstens
10 tinten. Ook waren deze kunststof houders altijd glad, zonder versiering
het toegepaste spuitgietprocédé liet niet anders toe. Een kenmerkend verschil
tussen de Vacumatic- en Aerometric-modellen was dat de Vacumatics een
schroefdopje achterop de houder hadden waaronder het pompje van het vulsysteem
zat. Dit schroefdopje eindigde in een metalen ring om een parelmoergrijs
kegeltje, gelijk aan dat op de dop. Bij de Aerometric-modellen was het
losse dopje op de houder niet meer nodig, zodat de houder eenvoudig taps
toeliep. Voor het overige is aan het uiterlijk van de "51" tijdens zijn
lange leven weinig veranderd. Opvallend is alleen dat de klemring op de
houder voor de dop na 1969 veel smaller is. Er zijn ook geheel metalen
versies geweest, in roestvrij staal, verzilverd, verguld, massief zilver
en massief goud. Hierin was meer versiering mogelijk. Vooral de zilveren
en gouden varianten waren leverbaar met vele soorten guilloches. Ditzelfde
geldt voor de dop. De clip was in eerste instantie de korte pijl-clip
van de Vacumatic-serie, met de naam Parker erop en een blauw ruitje ("Blue
Diamond") dat aangaf dat de pen levenslange garantie had. Parker had dit
symbool eind jaren '30 ingevoerd voor zijn pennen boven de $8.75. Sheaffer
had, met dezelfde betekenis, al eerder een witte stip op zijn duurdere
modellen aangebracht en doet dat nog steeds. Parker stapte in 1948, bij
de introductie van het Aerometric-vulsysteem, weer van de Blue Diamond
af; de "51" kreeg daarbij een langere clip zonder merknaam.
De herintroductie in 2002


"Vista blue"

zwart
Het was te verwachten dat dit veelgevraagde model opnieuw
in productie genomen zou worden. Veel fabrikanten grijpen immers de
laatste jaren op hun succesnummers terug. Parker heeft er echter geen
haast mee gemaakt. In 1994 is door een particuliere specialist in New
York een kleine serie in titanium vervaardigd. De fabriek zelf heeft
tot 2002 gewacht en komt nu met een Special Edition van 25.000 stuks.
Deze zal beschikbaar zijn in twee kleuren, zwart en "Vista Blue", een
soort hemelsblauw. De dop is van zilver met daarin het silhouet van
het Empire State Building, ook wel icicle of ijskegel genoemd.
Deze guilloche is overgenomen van een zeer zeldzame uitvoering
van de "51" uit 1946, twee afbeeldingen van dit origineel met "Empire
State" dop treft u hieronder.
Bij de zwarte pen is het silhouet verguld,
bij de blauwe versie is de gehele dop eenkleurig zilver. De vergulde clip
is de oorspronkelijke korte variant met de Blue Diamond en de merknaam.
Het vulsysteem is een converter of gewoon een patroon (net als in 1958).
De penpunt is uit 18 Kt goud in plaats van 14 Kt en wordt gevoed door
een fijnbewerkt 2-kanaals inkttoevoer- en afvoersysteem.
Natuurlijk is deze "51" stijlvol verpakt
waarbij vrijwel dezelfde materialen zijn gebruikt als voor de originele
doos van de oude "51, compleet met inktlap!
Deze Parker 51 is geheel uitverkocht / Sold out
|